400
700
900
De boedel van Johannes Fahraeus op buitenplaats Bolenstein
Willem-Jan van Grondelle

De boedel van Johannes Fahraeus op buitenplaats Bolenstein

48e jaargang (bladzijde 143) nr.4 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Buitenplaats
  • Kastelen

Plot

De boedel van Johannes Fåhraeus op buitenplaats Bolenstein

Willem-Jan van Grondelle


Toen de rijke Amsterdamse koopman Johannes Fåhraeus op 7 januari 1821 op zijn buitenplaats Bolenstein in Maarssen overleed, liet hij een omvangrijke erfenis na. Notaris Stevens uit Utrecht was op Bolenstein drie volle dagen bezig om op verzoek van de erfgenamen een boedelinventaris op te stellen. 1) Op basis daarvan concludeerde de executeur-testamentair Johan Joachim Laurin dat de totale nalatenschap een waarde had van ruim f 180.000, zo’n 1.700.000 hedendaagse euro’s. 2) Na uitkering van een aantal legaten werd de resterende erfenis verdeeld over maar liefst 28 Zweedse erfgenamen.
Wie was deze Johannes Fåhraeus, die als Zweedse immigrant in Amsterdam met zijn neef Johan Joachim Laurin een bloeiend handelshuis opzette en zo een klein fortuin verzamelde? Hoe zag zijn inboedel er aan het eind van zijn leven uit? Wat kunnen we daarvan leren over zijn leefwijze en over zijn persoon?

Van immigrant tot rijke koopman
Johannes Fåhraeus werd in 1745 in Visby, de hoofdstad van Gotland, geboren als zoon van Lars Fåhraeus en Catharina Elisabeth Facht. De familie Fåhraeus was een vooraanstaande familie in Visby. Grootvader Olof Fåhraeus, oorspronkelijk afkomstig van Fårö, stond aan het hoofd van een Gotlandse handelsfirma. Vader Lars Fåhraeus en diens broer Olof waren ook kooplieden en eigenaars van diverse schepen waarmee ze rond de Oostzee handeldreven.
Amsterdam was in die tijd naast Londen het centrum van de wereldhandel. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de firma Fåhraeus besloot om de banden met Amsterdam aan te halen en één van de familieleden daarheen te sturen om zijn geluk te beproeven. Zo kwam Johannes Fåhraeus in 1767 naar Amsterdam waar hij een goedlopend handelshuis opzette. Van 1778 tot 1790 werkte hij samen met Gerrit Swarth in de firma Fåhraeus & Swarth. Vanaf 1790 vormde hij een compagnonschap met zijn neef Johan Joachim Laurin onder de naam Fåhraeus & Laurin. 3)

Fåhraeus en zijn compagnons handelden aanvankelijk vooral met kooplieden rond de Oostzee, de Noordzee en de Middellandse Zee en combineerden hun handel met activiteiten in de rederij. Hun schepen hadden verschillende bestemmingen zoals Alicante, Cadiz, Lissabon, Göteborg en plaatsen aan de Oostzee, en zelfs Suriname. Geleidelijk aan richtten ze zich vooral op de handel met plantage-eigenaren in het Caribisch gebied. Naast de handel in plantageproducten, waren ze actief betrokken bij de financiering van plantages en bij de aankoop en het vervoer van tot slaaf gemaakte Afrikanen naar de West-Indische koloniën.
Al die activiteiten maakten Fåhraeus tot een vermogend man. In 1789 trouwde hij met Hester Tekelenburg, een halfzus van Anna Maria Tekelenburg, de moeder van Gerrit Swarth. Fåhraeus en Hester Tekelenburg woonden eerst op de Rozengracht en verhuisden in 1790 naar een mooi pand aan de Herengracht 530 (thans nummer 420).

De Zweedse immigrant Johannes Fåhraeus behoorde binnen Amsterdam inmiddels tot de kring van ‘notabele’ kooplieden. Fåhraeus was van 1787 tot 1798 lid van Felix Meritis, een cultureel en wetenschappelijk genootschap gericht op bevordering van de idealen van de Verlichting. In 1794 werd hij gekozen tot directeur van de Sociëteit van Suriname, de organisatie die de kolonie Suriname beheerde. Toen er in Amsterdam in 1812 verkiezingen werden gehouden voor leden en plaatsvervangers van de zojuist opgerichte Rechtbank van Koophandel, stond hij (met Laurin) op de lijst van belangrijke kooplieden die werden opgeroepen om hun stem uit te brengen. 4)
In 1800 kochten Fåhraeus en Hester Tekelenburg de buitenplaats Vechtenstein bij Maarssen. Negen jaar later overleed Hester Tekelenburg daar op 22 november 1809; ze werd in Amsterdam begraven en Fåhraeus bleef in Maarssen wonen. In 1819 – hij was inmiddels 74 jaar oud – verkocht hij Vechtenstein en kocht hij de buitenplaats Bolenstein, eveneens in Maarssen. Hij heeft slechts kort van deze aankoop kunnen genieten. Twee jaar later overleed hij daar op 7 januari 1821.
In zijn testament van 19 augustus 1811 had Fåhraeus zijn neef Johan Joachim Laurin als executeur-testamentair aangewezen. 5) Deze plaatste een rouwadvertentie en regelde de afhandeling van de nalatenschap. De eerste stap daarbij was het laten opmaken van een inventaris van de boedel en andere eigendommen.

De boedelinventaris
Voor het opmaken van de inventaris schakelde Laurin de Utrechtse notaris Gerardus Hendrikus Stevens in. Deze kwam op maandag 12 februari 1821 ‘s morgens om tien uur naar Bolenstein om samen met twee getuigen – Gerardus Wilbers, schipper, en Johannes Heijmans, kleermaker, beiden wonende in Maarssen – de inventaris op te maken. Daarbij waren ook aanwezig de executeur-testamentair Laurin en de Utrechtse notaris Theodorus Koppen. Laatstgenoemde was op verzoek van Laurin door de president van de rechtbank van eerste aanleg aangesteld als vertegenwoordiger van de Zweedse erfgenamen van Fåhraeus.
De waardebepaling van de goederen gebeurde door Cornelis Johannes van Velthoven van het Bureau der Publieke Verkoopingen te Utrecht. Deze was door Laurin aangetrokken als expert. Hij had daarvoor op 5 februari voor de vrederechter Muijsken van het kanton Maarssen de eed afgelegd ‘om de schatting in gemoede te doen’.

Zo begon dit gezelschap van zes personen op maandagochtend 12 februari met het inventariseren van de omvangrijke inboedel op de ridderhofstad Bolenstein. Uit de akte van boedelbeschrijving blijkt dat ze er drie volle dagen mee bezig waren. Ze maakten eerst een rondwandeling door het huis van kelder tot zolder en noteerden alle voorwerpen die ze aantroffen met een schatting van de waarde. In de boedelbeschrijving volgt daarna een gedetailleerd overzicht van het huislinnen, de kleding en andere personalia, het zilver, het aardewerk en de boeken. Daarna liep men naar buiten en beschreef de buitenbezittingen, zoals de paarden en rijtuigen en alle voorwerpen in de stal, de theekoepel, de tent (een in Chinese stijl ingerichte theekoepel) en de tuin. De inventaris werd afgesloten met een beschrijving van enkele belangrijke papieren en een overzicht van de bezittingen en de schulden. Die bezittingen bestonden uit een klein bedrag aan contant geld en een groot bedrag aan effecten; de schulden betroffen 42 nog te betalen rekeningen aan plaatselijke leveranciers en loon voor eigen personeel. De boedelinventaris bevat geen optelling van alle bedragen, maar uit de ‘Memorie voor de aangifte van successie’ weten we dat de waarde van de nalatenschap f 180.000 bedroeg.

Deze boedelinventaris geeft een goed beeld van het bezit van een rijke Amsterdamse weduwnaar die zich op zijn oude dag heeft teruggetrokken op zijn buitenplaats in Maarssen. Daarbij moet wel worden bedacht dat hij de inboedel samen met zijn vrouw gedurende hun hele leven had verzameld. Zoals vermeld, woonden ze eerst op de Rozengracht en vanaf 1790 in een pand op de Herengracht. In 1800 kwam daar een grote buitenplaats bij, eerst Vechtenstein en na verhuizing in 1819 Bolenstein. Het is logisch dat zo’n rijke woon- en leefstijl een forse inboedel opleverde. Om daar meer inzicht in te krijgen, wandelen we door het huis en bekijken we de boedel meer in detail.
Het souterrain
Samen met notaris Stevens en zijn gezelschap lopen we het hele huis door. We beginnen in de keuken in het souterrain, waar we naast twee hangoortafels en zes gematte stoelen vooral de gebruikelijke kookattributen aantreffen: een kookketel, waterketels, theeketels, enzovoort. In de hoek bevindt zich een vaste kast met onder andere schotels en schalen van aardewerk, een terrine, een koffiekan en een theebus. In een tweede kast treffen we ook weer allerlei aardewerk aan.
Achter de keuken bevinden zich twee kelders. De ene staat vol met allerlei kookspullen, zoals koperen kookketels, een visketel, braadpannen, een hazepan, een tulbandvorm en drie Keulse potten. Ook zien we allerhande huishoudelijke voorwerpen zoals wateremmers, trechters, een vuilnisblik en een glazenwasspuit. De andere kelder lijkt meer een rommelhok te zijn, met onder andere een doofpot, een wateremmer, een tafeltje en wat ‘rommeling’. Ook het vaathok naast de keuken is snel bekeken: ‘een ijzere braadspit, dito bonesnijder, twee hakmessen en eenig mandwerk, mitsgaders potten en pannen’. De provisiekelder bevat – zoals te verwachten – ‘eenige rode en andere wijnen en verdere provisie tot de huishouding’.
Tenslotte is er in het souterrain nog de mangelkamer met een eikenhouten mangel, een pers en drie koperen strijkijzers. Er is echter veel meer aanwezig: een bureau, twee bedden, een hangoortafel met zes ‘matstoelen’, twee spiegels, een penduletje en vijf schilderijtjes. Al met al wekt dit de indruk van een bewoonde kamer, vermoedelijk de woonkamer van de dienstbode.

Op de begane grond
Vervolgens gaat onze wandeling naar de hoofdverdieping. We komen eerst in het voorportaal met een ‘voorhuisbank’, een bloemtafel en een ‘geverwd’ tafeltje met daarop een pendule op een console. Aan de muur hangen een kloklantaarn en een barometer.
Aan de rechterzijde van het huis bevindt zich een mooi ingerichte zitkamer met een met mahoniehout ingelegde buffetcommode, drie tafels, zes iepenhouten stoelen met zwart trijp. Op de vloer liggen een ‘Smirnasch tapijtje’ en een ‘Hilversums carpet’ en aan de wand hangen een spiegel met een vergulde lijst en zeven platen ‘met lijsten en glazen’. Op een tafel staat een ‘tafelgirandole’ (een met ornamenten versierde kaarsenstandaard). De buffetcommode bevat onder andere glazen, borden, tafelgerei, een theeblad met een porseleinen servies, een ‘tabaksconfoir’ (een mooi bewerkt metalen kommetje met smeulende kooltjes om pijptabak te kunnen aansteken) en een tabaksdoos . In de vaste kast in deze kamer staan vooral koffie- en theeserviezen en ook twee karaffen, zes glaasjes en vijf snuifdozen.
Aan de linkerzijde van het huis vinden we een kamer met een grote hoeveelheid meubilair en allerlei voorwerpen. Zo staan er een notenhouten bureau met kantoorstoel, een schrijftafel, drie grote tafels en acht kleinere, een canapé en 31 stoelen en twee fauteuils in diverse kleuren trijp. Ook is er sprake van een staand ‘horologe’, een ‘mahognijhouten copieermachine’ (een draagbaar apparaat om brieven te kopiëren in een houten kist), een spiegel met een vergulde lijst, achttien stoven, zeven theebladen en nog veel meer. Opmerkelijk genoeg staat er ook een ledikant met groen moiré behang, een wastafel, een ziekenstoel met een tinnen pot en een ‘gemakkoffertje’ (een draagbaar toilet). Werd deze kamer normaliter gebruikt voor opslag van allerlei meubelen en heeft men deze voor de zieke tijdelijk omgetoverd tot ziekenkamer? Het lijkt niet onaannemelijk dat Johannes Fåhraeus ziek op bed liggend hier zijn laatste dagen heeft doorgebracht. Zijn gewijzigde testament van 1 januari 1821 begint immers met de woorden ‘De heer Johannes Fåhraeus, wonende op de buitenplaats Bolenstein onder Maarssen, ziek te bed liggende op een bed met een groene omhangsel, staande bij de ingang van een kamer met uitzicht over de tuin naar de weg, …’.
We vervolgen onze tocht naar ‘de Zaal’, duidelijk de mooie kamer van het huis. Hier staan een pianoforte, twee kisten met ‘violonsellen’, een ronde uittrektafel met twaalf mahoniehouten stoelen met zwart trijp, een canapé met zwart trijp, twee speeltafels, een likeurkistje en een tabakskistje. Het pronkstuk is ongetwijfeld de mahoniehouten buffetcommode, met een Doorniks tafelservies, bestaande uit maar liefst elf terrines, vijftien ‘differente schotels’, 27 schalen, 127 platte borden, achttien ‘soupborden’, vijf fruitmanden en zes ‘mostaardpotten’. Aan de muur een spiegel met een vergulde lijst en ‘negen platen met lijsten en glazen’. Op de vloer ligt een kostbaar ‘Smirnasch tapijt’.
In het naastgelegen dessertkamertje liggen tal van huishoudelijke voorwerpen en er staat een provisiekast met daarin te veel om op te noemen: talloze theeserviesjes, kopjes en schoteltjes, borden, trommeltjes, enzovoort. De notaris en de taxateur hadden er flink werk aan om dit allemaal stuk voor stuk te noteren.

De eerste verdieping, de zolder en de tuin
Dan komen we op de eerste verdieping, met drie slaapkamers, een provisiekamer en een boekenkamer. In de slaapkamers vinden we een bonte verzameling bedden, ‘paardehaire matrassen’, ‘peuluws’, wollen en katoenen dekens, kussens, stoelen, tafeltjes, lampetkannen en schotels, kamerpotten, en wat dies meer zij. Interessant zijn de ‘vier vioolkassen, twee violen, een alt en twee guitars’ en vier ‘mijzigklessenaars en eenig muzijk’. Muziek lijkt zeker een rol te hebben gespeeld in het leven van Fåhraeus en zijn vrouw. Ook opmerkelijk zijn een kompas en een zonnewijzer.
De provisiekamer op de eerste verdieping bevat een enorme voorraad huishoudelijke en keukenvoorwerpen, potten en pannen, schalen en schotels, losse borden en ook twee grote serviezen. Alles bij elkaar staan hier bijvoorbeeld maar liefst 224 platte borden. Ook treffen we er andere voorwerpen aan, zoals een paar naaikistjes, twee portefeuilles met prenten, kaarten en tekeningen, drie verrekijkers, een koperen bedpan, een Zeister vouwladder en een dambord.
De boekenkamer komt in de volgende paragraaf aan de orde, dus we lopen door naar de zolder. Daar komen we op de spartaans ingerichte ‘knechtskamer’ met een bed met toebehoren en ‘groen saai ledikantsbehang’, een tafeltje met twee stoelen, een spiegel met bruine lijst, vier schilderijtjes en ‘eenige kopere lustre armen’ (kleine kroonluchters). Verder liggen op de zolder - zoals overal - allerlei afgedankte voorwerpen die niettemin stuk voor stuk door de notaris zijn genoteerd en getaxeerd.
Na de zolder gaat de wandeling naar buiten, naar de stal, de theekoepel, de tent en de tuin. In de stal treffen we aan: twee zwarte merriepaarden en drie rijtuigen - een calèche (een open rijtuig), een fourgon (een rijtuigje) en een chais (een tweewielig rijtuig) - en de bijbehorende tuigen, zadels, zwepen en haverkist. De theekoepel is eenvoudig gemeubileerd met acht geschilderde stoelen en een geruit vloerkleed. Ook de tent – een in Chinese stijl uitgevoerde theekoepel – oogt eenvoudig; zes geschilderde stoelen, een tafeltje, een vloerkleed en twee banken. Onder het kopje ‘tuin’ vinden we onder andere drie banken en negen tuinstoelen, allerlei tuingereedschap, broeiramen onder glas, een kippenloop, zes kippen en een haan en ook veertien Turkse eenden. Al met al een enorme inboedel, maar er was nog meer.

Het huislinnen, de kleding, ander ‘lijfstoebehoren’ en het zilver
De rubriek ‘huislinnen’ wordt gekenmerkt door grote aantallen: 64 tafellakens, 348 servetten, 70 bedlakens (‘tweebaans’, ‘eenbaans’ en ‘anderhalf baans’), 83 slopen en 49 handdoeken. Vrijwel al deze voorwerpen waren voorzien van een merkje met de initialen J.F. (Johannes Fåhraeus) of H.L. (Hester Lunge). Zoals vermeld trouwde Fåhraeus in 1789 met Hester Tekelenburg, zij was de weduwe van Hans Nicolaas Lunge. De met H.L. gemerkte voorwerpen waren dus kennelijk afkomstig uit Hesters eerste huwelijk.
Ook bij de kleding gaat het niet om kleine hoeveelheden. Zo noteerde de notaris 10 jassen, 14 broeken, 70 overhemden, 33 onderhemden, 21 borstrokken, 19 onderbroeken, 48 paar kousen en 94 zakdoeken. Ook een broekriem, bretels, vier paar leren handschoenen, een stel dassen, een hoed en twee paar laarzen ontbreken niet; en heel opmerkelijk: 48 witte slaapmutsen. Bij de ‘lijfstoebehoren’ oftewel persoonlijke bezittingen treffen we onder andere drie gouden horloges aan, een gouden horlogeketting en een ring met briljanten, twee brillen van zilver, een ‘paerl d’amoure’ tabaksdoos en zeven snuifdozen, twee degens en vier rottingen. Bij deze rubrieken kleding en lijfstoebehoren gaat het duidelijk alleen om eigendommen van Johannes Fåhraeus. De kleding van zijn in 1809 overleden vrouw Hester was blijkbaar al eerder weggedaan.
Bij het zilver gaat het onder meer om allerlei soorten lepels, vorken en messen, een theetrommeltje, een melkkan, een ‘tabaksconfoir’, een tabaksdoos en een inktpot. Alles bij elkaar 283 voorwerpen, met een totale geschatte waarde van f 1.497, oftewel in hedendaagse valuta ruim € 14.000. Het betreft voornamelijk gebruiksvoorwerpen, maar ze zijn wel van zilver, en dus met een sjieke uitstraling.

Een schat aan boeken en muziekinstrumenten
De boekenverzameling met 92 items laat zien dat Fåhraeus een brede belangstelling had, vooral voor geschiedenis en vreemde landen. Zo treffen we allerlei werken aan over wereldgeschiedenis, beschrijvingen van andere landen, reisverhalen en levensbeschrijvingen van bekende personen. Literaire werken lijken nauwelijks aanwezig, maar wel zien we stichtelijke lectuur, diverse woordenboeken en natuurlijk boeken die bij een bezitter van een buitenplaats niet mogen ontbreken, zoals ‘Geneeskunde der paarden’ en ‘De kunst om vogelen uit te broeijen’.
De boedelinventaris geeft ook inzicht in Fåhraeus’ culturele belangstelling. In de inventaris is wel sprake van schilderijen, maar die worden zo laag getaxeerd dat er kennelijk geen werken van grote meesters bij zaten. Wel ging zijn belangstelling blijkbaar uit naar muziek. Naast de pianoforte en de ‘violoncellen’, worden in de inventaris ook drie violen en drie strijkstokken genoemd, een alt, twee gitaren, vier dwarsfluiten, vier muzieklessenaars en ‘eenig muzijk’. Dit sluit overigens goed aan bij de vermelding bij de openstaande rekeningen van een bedrag van twintig gulden en vijftien stuivers voor ‘contributie van het concert te Utrecht’. Bovendien moeten we niet vergeten dat Fåhreaus van 1787 tot 1798 lid was van Felix Meritis.

De financiën van Johannes Fåhraeus
Tenslotte bevat de boedelinventaris een lijst met belangrijke papieren, zoals zijn testament en een verslag van de aankoop van Bolenstein en een overzicht van de bezittingen en schulden. Bij de bezittingen is sprake van aanzienlijke beleggingen in verschillende staatsobligaties en leningen aan de stad Amsterdam, aan de Lutherse Kerk, aan het Lutherse Weeshuis, aan Felix Meritis en aan de Hoogduitsche Schouwburg, alle te Amsterdam. Ook heeft Fåhraeus aan verschillende personen geld geleend, zoals f 1.000 aan de Utrechtse bakker Jan Willem Arends, met de bakkerij aan het Oudkerkhof als onderpand, en f 800 aan de tuinbaas Meijer. Bij de schulden gaat het om openstaande rekeningen aan allerlei plaatselijke leveranciers, zoals de timmerman Dolmans, de schilder Houtman en de winkelierster de weduwe Tied. Verder hebben de dienstmeid Elisabeth van Luijn, de huisknecht Jan van der Vorst, de tuinman en de koetsier nog hun resterende loon tegoed. Plaatselijke genealogen zullen vast allerlei namen uit Maarssen herkennen.

Was dit alles?
Deze omvangrijke boedel overziende, rijst onwillekeurig toch de vraag: was dit echt alles? Het valt namelijk op dat sommige dagelijkse gebruiksvoorwerpen niet worden genoemd. Zo ontbreken schoenen en sloffen. 6) Alleen vier paar schoengespen worden genoemd en een paar laarzen. Wat betreft persoonlijke verzorging treffen we wel twee scheerdozen aan, maar geen kammen of haarborstels, maar wel weer twee kleerborstels. Een ander in de inventaris ontbrekend voorwerp is een pruik. De pruikentijd liep in 1821 op zijn eind maar we hadden best een paar oude, wellicht al afgedankte pruiken kunnen aantreffen. We mogen aannemen dat Fåhraeus wel degelijk schoenen en kammen en wellicht ook pruiken bezat. Waarom deze niet worden genoemd is een raadsel.

De afwikkeling van de erfenis
Na ondertekening van de boedelinventaris door alle betrokkenen kon Laurin als executeur-testamentair de nalatenschap verder afhandelen. Op 23 juni 1821 werd Bolenstein voor f 10.500 verkocht aan Willem Eliza Ram. 7) De ‘meubilaire en andere roerende goederen’ brachten drie dagen later op een veiling f 11.189 op. Daarna kon de erfenis worden verdeeld. Fåhraeus had in zijn testament in 1811 forse legaten opgenomen voor verschillende leden van de families Swarth en Laurin en ook zijn kleding, juwelen en huisraad had hij aan hen vermaakt. Daarnaast werden ook de bedienden ruim bedacht. De rest van zijn erfenis werd verdeeld onder zijn zeven broers en zussen of – als die overleden waren – aan hun kinderen in Zweden. Dat leidde tot maar liefst 28 erfgenamen. De afhandeling van de erfenis kostte enkele jaren. In deze periode overleed ook Johan Joachim Laurin. Diens stiefzoon Hendrik Gerrit Taddel rondde de zaak af.

Wie was Johannes Fåhraeus?
Uit deze beschrijving komt Fåhraeus naar voren als een ondernemende en praktische man. Hij was met een goedlopende handelsfirma rijk geworden. Hij belegde zijn geld voorzichtig, merendeels in staatsobligaties, en was ook niet te beroerd om aan mensen in zijn omgeving geld uit te lenen. Hij was als koopman zeer geïnteresseerd in de ontwikkelingen in de wereld en nam graag kennis van de geschiedenis van personen en landen. Dure schilderijen zeiden hem weinig, maar hij hield zeker van muziek en ging graag naar een concert. Daarnaast was hij een uitgesproken familieman. Hij werkte decennialang nauw samen met zijn neef Laurin en had een goede relatie met de andere leden van de families Swarth en Laurin. Ook had hij na al die jaren in Nederland nog steeds nauwe banden met zijn verwanten in Gotland en de rest van Zweden. Als aandenken aan hun succesvolle familielid ontvingen zij een aardige erfenis.

Noten
1) Het Utrechts Archief, toegang 34-4, inv.nr. U324c013, fol. 80 t/m 98.
2) Riksarkivet, Visby Gösta Fåhreaus arkiv (1811-1927), Handlingar rörande holländska arvsutredningen efter avlidne handelsmannen Johannes Fåhreaus i Amsterdam, [K0002] Kvarlåtenskapsanteckningar undertecknade av Joh. J Laurin. Omrekening via https://iisg.amsterdam/nl/onderzoek/projecten/hpw/calculate.php (geraadpleegd 24 oktober 2020).
3) Willem-Jan van Grondelle en Els Vermij. Van immigrant tot rijke koopman, de lotgevallen van vier Gotlanders in Amsterdam. In Amstelodamum 4-2020.
4) Delpher, Advertentiën, aankondigingen en verschillende berigten van Amsterdam, 15 december 1812.
5) Riksarkivet, Visby Gösta Fåhreaus arkiv (1811-1927), Handlingar rörande holländska arvsutredningen efter avlidne handelsmannen Johannes Fåhreaus i Amsterdam, [K0001] Johannes Fåhraeus testamente.
6) Ook Thera Wijsenbeek-Olthuis constateert in haar boek Achter de gevels van Delft, bezit en bestaan van rijk en arm in een periode van achteruitgang (1700-1800) (Hilversum 1987) dat in de door haar onderzochte boedelinventarissen opmerkelijk genoeg schoenen en klompen nagenoeg niet voorkomen (98-99).
7) Het Utrechts Archief, toegang 34-4, inv.nr. U324e011.