49e jaargang (bladzijde 93) nr.3 / IN: Periodiek HKM
Steenoven Goed ten Bosch
Wally Smits
Inleiding
‘De Steenplaats ’t Goed ten Bosch en zijne Landerije’, een ooit prachtige, op perkament getekende en ingekleurde kaart van één van de vele steenovens die langs de Vecht stonden. Hij is inmiddels zo verbleekt, dat publicatie niet verstandig leek. De achterliggende historie en de plek in de lokale ontwikkeling maken dat het toch de moeite loont om dit stukje Maarssens industrieel verleden aan de vergetelheid te onttrekken. Aan de hand van enkele kaarten en intensief archiefonderzoek worden het ontstaan, het belang en de ontwikkeling rond het Goed toegelicht.
De oorsprong
Al vele eeuwen vóór het maken van deze kaart bestond er langs de Vecht een levendige steen-, tegel- en pannenindustrie. De basiselementen, klei en turf als brandstof waren in de directe omgeving ruimschoots aanwezig en met name de groei van Utrecht en de bouw van kastelen zorgden voor een groeiende vraag naar de producten van de steenovens. Er werd hier ook cement gemaakt van gebrande schelpen, zodat alle ingrediënten aanwezig waren om met steen te gaan bouwen. Dit resulteerde alleen al aan de oost- en noordzijde van de Vecht vanaf Oud-Zuilen tot de noordgrens van Maarsseveen in minstens vijf steenovens en twee kalkovens. De grootste concentratie bevond zich langs de Zandweg. De kalk werd gebrand in een oven op het Goed ten Bosch en in een oven die voor het bruggetje bij de buitenplaats Geesberge stond. Dit Goed ten Bosch was in 1593 in tweeën gesplitst, het stuk tussen Oostwaard en de huidige Termeerbrug bleef Goed ten Bosch heten en het andere stuk kreeg de naam Huis ten Bosch, de naam van het huidige huis.
Zoudenbalch
Dat er op Goed ten Bosch al vóór 1596 een kalkoven heeft gestaan, concludeer ik uit een stuk over een erfje land. Gerrit Zoudenbalch, heer van Ter Meer, ruziet met Gerrit Jansz. over het bezit van dit erfje op het Goed ten Bosch. Gerrit Jansz. was in dat jaar kalkbrander te Muiden, maar voor ons is interessant dat hij dat eerst in Maarssen was. 1) Verdere gegevens uit het archief van Zoudenbalch geven aan dat er ruim vóór het jaar 1600 al op uitgebreide schaal steen gebakken werd. In een pachtcontract uit 1557, waarin grond tussen de Diependaalse Tiendweg (Dijk) en de Zogwetering werd verhuurd, was een clausule opgenomen waarbij de grond ‘nyet uutgraven sullen (worden) om te tichelen ofte steenbacken ofte enige eerde daeruut (te) vercopen’. 2) Zoudenbalch was geen milieuactivist avant la lettre, maar was wel bang dat na afgraving de grond geen economische waarde meer zou hebben.
‘Aldus verthoonen …’
Op een detail van een omstreeks 1650 gemaakte kaart ‘Aldus verthoonen de Wooninghen, Hoffsteden en Ghebouwen, gelegen aende Noord-Oost zijde van de Vecht, van ’t Huys ’t Oudean langs de Heerlijcheit van Maarsseveen tot aan Vechtesteijn’ zien we het huis en de steenoven al staan. Opvallend is dat het in die tijd in de mode zijnde torentje op het huis, dat zowel op de afbeeldingen van Goudestein als het Huis ten Bosch te zien was, hier wel erg extreem is. Het is eigenlijk geen torentje, maar een enorme koepel die boven het huis uit torent. 3) Ook de eigenaar wordt genoemd: ‘de steenoven van seigneur Vander Graaf’.
Familiebedrijf
Verder zoeken naar aanleiding van deze naam leidde via Abraham van der Graaf, die gehuwd was met Margareta ten Grootenhuis, naar de koper van het gebied Goed ten Bosch in 1593, ene Aart ten Grootenhuis. Abraham en Margareta lieten tussen 1630 en 1635 drie kinderen dopen in de Gereformeerde Kerk te Maarssen en op 25 augustus 1661 zien we de namen van alle vroegere en toekomstige eigenaren van de steenplaats bij elkaar bij de doop van Alida, dochter van Hendrik Cambier en Margareta (van) de Graaf. Getuigen zijn oma Margareta ten Grootenhuis en Casper Cambier. Later voegt nog een lid van de familie Boendermaker, Mattheus, zich bij dit gezelschap. Gezien het bovenstaande kunnen we stellen dat gedurende ruim anderhalve eeuw dit complex ‘in de familie’ is gebleven.
De kaart
In 1717 presenteerde Maurits Walraven, gezworen landmeter, een op perkament getekende en ingekleurde kaart van de steenoven ’t Goed ten Bosch. 4) In de tekst eronder is (helaas nauwelijks leesbaar) exact opgetekend wat waar stond en welke functie en welke oppervlakte de percelen hadden. Het perceel liep van de Vecht (rechts) naar de Zogwetering in een punt met een uitstapje van 10 morgen (ong. 8,5 hectare) in het land van Oostwaard. Met het overige bezit van ruim 8 morgen in Maarssen en ruim 7 morgen in Maarsseveen komen we op een totale oppervlakte van 26 morgen. Bovengelegen was het buiten Vechtenstein en beneden was aan de huidige Zandweg de naam van ‘juffrouw Bera’ geschreven. Zij was (althans in 1721) de weduwe van Johan Berra, in leven schout van Zuilen en Westbroek. Zijn erfgenamen verkochten in 1721 dit huis, Overkerck genaamd, aan Isaacq Jesurun de Jongh, maar wel met de mededeling dat Vincent Maximiliaan van Lockhorst, heer van Ter Meer en Maarssen in het huis woonde. 5) Verder het land in staan de gebroeders Van der Ghiessen genoemd. Zij, veelvuldig genoemd als Maarschalk van het Nedersticht, bewoonden het huis Luxemburg. Daarboven bevond zich het land van Cromhout, eigenaar van Huis ten Bosch.
Familiewapens
Jammer genoeg beperkte Walraven zich tot het Goed ten Bosch, maar de tekening geeft toch een schat aan informatie. Hij tekende niet zomaar een kaart, maar verluchtte het geheel met de wapens van de verschillende eigenaren, te beginnen met linksboven (Aart) Ten Grotenhuis en (Cornelis Cornelisz.) Heemskerk die het gebied Het Goed ten Bosch in 1593 in tweeën splitsten. Aangezien Aart met een zekere Marike van Heemskerk was gehuwd, bestond er ongetwijfeld een familierelatie tussen die twee. Rechtsboven komt Abraham van der Graaf, die op zijn beurt weer gehuwd was met Margareta ten Grootenhuis.. Via diverse huwelijken tussen de families Ten Grootenhuis, Van der Graaf, Cambier en daarna Boendermaker, komen we uiteindelijk terecht bij de eigenaresse ten tijde van het maken van de kaart, Margareta Cambier, die al zeer snel weduwe werd van mr. Adrianus de Gilde. Deze Margareta zou tot haar overlijden in 1750 samen met haar twee zusters Maria en Susanne de eigenaresse van de steenoven blijven. Iedere keer als er een zus overleed, Maria in 1729 en Susanne in 1744, werd het gehele bezit door de schout van Maarssen in opdracht van de Staten van Utrecht op waarde geschat, ‘geëstimeerd’, en dat geeft weer inzicht in de waarde van de gebouwen die er stonden. 6)
Het perceel Goed ten Bosch
Hoewel op de kaart de percelen van een nummer zijn voorzien, ontbreekt de legenda. Door de drie estimaties naar aanleiding van het overlijden van de zussen/erfgenamen, is goed te achterhalen wat de functie van ieder nummer was.
Nummer 1 op de kaart is het meest interessant. Het nummer staat op het stuk waar het woord ‘oven’ in rood staat geschreven. Achter deze oven staan de loodsen waar de steen wordt opgeslagen en/of gedroogd, voordat ze de oven ingaan. Aan weerszijden van de oven staan schematisch de arbeiderswoninkjes ingetekend, in totaal 14 volgens de estimaties. In de estimatie van 1729 worden de bewoners van deze huisjes met name genoemd en dan komen we persoonsnamen tegen die al eeuwen bekend zijn in het Maarssense: Jan van Oostrom, Willem Hendrikse Verkroost, Willem van Schoonhoven, Hendrik de Vries en Jacob Jansz. van der Horst. Deze families hebben vroeger in deze huisjes gewoond.
Ten zuiden daarvan moet dan het grote huis staan met de geometrische Franse tuin. Het land erachter is noch voor ons noch voor de steenoven van belang, het is afgevlet (afgegraven) ten bate van de steenoven en is alleen nog maar geschikt als weiland en bos.
Tegen 1750 rest van het grondbezit van Het Goed ten Bosch nog slechts 8 morgen. De 7 morgen onder Maarssen en de 10 morgen onder Oostwaard zijn dan al van de hand gedaan.
Klei
Gedurende de hele achttiende en negentiende eeuw moest men zijn klei dus elders halen.
In 1781 verklaarden Arnoldus en Dirk de Haas, 70 en 67 jaar oud, dat zij geboren en getogen waren op de ‘gewesen’ ticheloven (die is dus al weg tegen die tijd) en er hun hele leven hebben gewerkt. Zij gaven aan dat het land van Oostwaard altijd hoog bouwland is geweest, maar dat het land is afgegraven door de steenbakkerij genaamd Duijnkerken in Zuilen (dit was de baas van de ticheloven Lodewijk Verschoof), maar ook door ‘juffrouw De Gilde’ van het Goed ten Bosch. Ook Van der Does van de steenplaats Cromwijck had zijn oog laten vallen op de klei van Oostwaard. Het gevolg was dat het bouwland van Oostwaard slechts gebruikt kon worden als weiland. 7) Door deze roofbouw gingen zowel het landbouwareaal als de levensvatbaarheid van de steenovens achteruit. We zien dan ook dat de totale waarde van het Goed ten Bosch daalde van f 18.500 in 1729, naar f 12.000 in 1744 tot slechts f 10.000 in 1750. De meeste steenovens haalden het einde van de negentiende eeuw niet, zo ook de steenoven Goed ten Bosch.
Het Huis ten Bosch
Zoals reeds gezegd beperkte Walraven zich niet tot het maken van alleen een kaart van het perceel. Hij verluchtte de kaart met de wapens van alle vroegere bezitters en ging zelfs zover dat hij ingekleurde tekeningen maakte van het grote huis en van de belendende percelen. De tekening van het grote huis, vervaagd weliswaar, geeft een mooi beeld van dit pand. In het oog springen de risaliserende (uitspringende) zijvleugels, die aan beide kanten drie traveeën (te herkennen aan de ramen) breed zijn. Moeilijk te ontdekken is of het middenstuk gesierd wordt met pilasters of kolommen, maar het meest opvallend is de enorme koepel op het middenstuk. Het lijkt wel of we naar Huis ten Bosch in Den Haag kijken. Óf de architecten van dat laatste huis, Pieter Post en Jacob van Campen, hebben de hand gehad in de bouw van dit huis, óf de aannemer heeft zich laten inspireren door dit gebouw. Wegens gebrek aan verdere gegevens houd ik het op het laatste. Vermoedelijk is Jacob van Campen wel betrokken bij de bouw van Huis ten Bosch een stukje verder.
Tezamen met de zogenaamde Franse, geometrische tuin is dit huis een mooi voorbeeld van het Hollandse classicisme dat tijdens de bouw omstreeks 1650 in de mode was. Dat alles niet geheel volgens de werkelijkheid is getekend, blijkt wel uit de boot die richting de steenplaats links is afgemeerd. Hij ligt vol onder zeil en ook nog aan de verkeerde kant van het huis. De doorvaart naar achteren vond plaats aan de kant van de buitenplaats Vechtenstein en was erg smal, en wat heeft het onder zeil zijn in zo’n smal watertje bovendien voor nut?
Het zou kunnen dat Walraven zich bij herberg De Zwaan aan de overkant van de Vecht heeft neergezet en van daaruit deze tekening heeft gemaakt. We zien een mengeling van oud en nieuw. Met de koepel als referentiepunt zien we natuurlijk allereerst het sfeerplaatje van de bedrijvigheid op de Vecht, maar ook een huis aan de Zandweg met daarachter (vaag) de eigenlijke steenplaats. Daarnaast staat ook een boerderij met hooiberg afgebeeld die de indruk geeft dat hij nog in vol bedrijf is. Draai ik de zaken nu om? Was de oven er eerder en kwam de boerderij pas nadat de grond achter de steenplaats was afgevlet? De estimaties geven aan dat op deze plek ‘7 daghuurders woninge en de stal en bouhuys met het stuck velt daragter’ stonden.
Ook hier zien we, zoals bij zoveel buitenhuizen langs de Vecht, dat het grote huis wel in bezit was van de erven Cambier, maar niet door henzelf werd bewoond. In 1729 werd het huis verhuurd aan Pieter Antonie de Lespaul, koopman uit Amsterdam, tevens heer van Oostwaard. Het witte huis aan de Zandweg werd bewoond door juffrouw Cambier. In 1750 werd het grote huis bewoond door ‘Matheus Boendermaaker, schepen der stat Amsterdam’. Het werd toen geschat op f 2.000 en het huisje waar Margareta Cambier woonde, ‘het huys en tuyn bij de overleedene bewoont geweest’ op f 1.400. Het zou best kunnen dat de (nu) twee huizen Zandweg 4 en 5 hun oorsprong vinden in de woning van Margareta Cambier. De steenoven heeft tot het eind van de negentiende eeuw kunnen voortbestaan. De loodsen werden toen gebruikt door de heer Wolff voor zijn accumulatorenfabriek en daarna door de LTF, de lift- en trappenfabriek.
Noten
1. HUA, toegang 56-1, Archief familie Zoudenbalch inv. nr. 120.
2. Idem inv.nr. 84.
3. Bibliotheek Universiteit van Leiden, bijzondere collecties, voorheen collectie Bodel Nijenhuis.
4. HUA, collectie Muller, collectienummer 1229-2.
5. RHCVV, dorpsgerechten Maarssen, inv. nr. 1430.
6. Idem, inv. nrs. 1431 en 1432.
7. HUA, toegang 34/4, notarissen Utrecht 1560/1905, inv. nr. 1880 akte nr. 2.