49e jaargang (bladzijde 100) nr.3 / IN: Periodiek HKM
Natuurgebied Molenpolder Deel 1: Het landschap
Jaap Trouw
Op het terrein van Staatsbosbeheer aan de Westbroekse Binnenweg werp ik in de herfst van 2021 een blik in een grote, open vergaarbak. Daarin krioelt het van de vele honderden rivierkreeften die recent in de directe omgeving gevangen zijn. Dat maakt me nieuwsgierig naar het hoe en waarom daarvan.
In Molenpolder blijkt een onderzoek gaande naar de beste manier waarop de populatie Amerikaanse rivierkreeften beheerst kan worden. Deze kreeftensoort is een zogenaamde invasieve exoot en wordt inmiddels als een plaag gezien. 1) De rivierkreeften zitten namelijk op deze en andere plekken het herstel van de biodiversiteit, de waterkwaliteit en het landschap sterk in de weg. Alles wat op hun weg komt eten ze op, planten, waterdiertjes, zelfs soortgenoten. Daar komt nog bij dat ze zich makkelijk en snel voortplanten en weinig natuurlijke vijanden hebben.
Weliswaar is er een soort natuurlijk evenwicht ontstaan, maar dat is met naar schatting een paar honderdduizend exemplaren voor dit gebied een veel te groot aantal. Daarom zijn zo’n 300 fuiken en 1500 speciale korven uitgezet om de kreeften te vangen. In ongeveer een maand tijd hebben de onderzoekers bij elkaar ongeveer 2000 kilo gevangen. De vangst aan grotere exemplaren gaat naar restaurants en belandt uiteindelijk op het bord van de gasten. Het kleinere grut gaat als diervoeder naar de dierentuin. Het onderzoek duurt al met al ongeveer een jaar en moet uitwijzen welke vangstmethode op grote schaal het best kan worden toegepast om de populatie in voldoende mate terug te dringen. Maar goed, via deze introductie, zijn we terecht gekomen bij het prachtige natuurgebied Molenpolder, het onderwerp van dit artikel.
Molenpolder
Waar hebben we het in dit geval over? De buurtschap Molenpolder is de naamgever van het natuurgebied met dezelfde naam. Het gebied is circa 200 hectare groot, wordt door Staatsbosbeheer beheerd en ligt in het Natura 2000-gebied de Oostelijke Vechtplassen. 2) Het gebied bestaat uit een westelijk en een oostelijk deel en die zijn in 2016 tot één geheel samengevoegd. Met zijn karakteristieke petgaten, legakkers, rietkragen en moerasbos heeft Molenpolder er niet altijd uitgezien zoals nu. Meer daarover volgt hieronder.
Naast het natuurgebied omvat Molenpolder de lintbebouwing aan de Oudedijk en de Westbroekse Binnenweg en agrarische gronden, met name weiland. Die laatste treffen we vooral in het oostelijke en noordoostelijke gedeelte van de polder aan en wel op die plaatsen waar in het verleden geen turfwinning heeft plaatsgevonden. Molenpolder wordt in het westen begrensd door de Maarsseveensevaart, in het noorden door de Heuvellaan, de Nedereindsevaartdijk en de Kerkdijk, in het oosten door de Burgemeester Huydecoperweg en in het zuiden door de Westbroekse Binnenweg en de Grote Maarsseveense Plas.
Onderwerpen
Het vroegere landschap en de ontginning van de woeste gronden ten oosten van de Vecht komen als eerste onderwerpen aan de orde. Daarna volgt een volgende ingreep van de mens in het landschap: de turfwinning; eertijds een zeer bloeiende bedrijfstak in deze regio.
Voor turfwinning, ofwel vervening, bestaat een droge en een natte methode. Beide zijn in het gebied grootschalig en systematisch ingezet. De veenmannen of verveners vormen daarbij de handen en voeten van de turfwinning. Na de onvermijdelijke neergang van de bedrijfstak als gevolg van wat roofbouw kan worden genoemd, resteert een totaal ander landschap met agrarische gronden, legakkers, petgaten, rietkragen, moerasbosjes en grote plassen.
In een vervolgartikel zal ik aandacht besteden aan de herinrichting en natuurontwikkeling van de Oostelijke Vechtplassen in het algemeen en natuurgebied Molenpolder in het bijzonder.
Soorten landschap
Om de karakteristieken van het natuurgebied Molenpolder te kunnen begrijpen, is het goed om deze in het ruimere perspectief van de tijd en de wijdere omgeving te plaatsen. Ik doel daarbij op de tijd vanaf de vroege middeleeuwen en op de Oostelijke Vechtplassen, een gebied van bijna 7000 hectare, waar Molenpolder deel van uitmaakt.
De streek ten oosten van de Vecht is oorspronkelijk een moerassig laagveengebied geweest. De helling van de hoger gelegen zandgronden van de Utrechtse heuvelrug naar de lagere delen richting de Vecht heeft ervoor gezorgd dat het afstromende grondwater in het lagergelegen gebied min of meer stagneert en voor vernatting zorgt. Van oost naar west zijn hierdoor drie soorten landschap te onderscheiden:
- de zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug
- het laagveengebied met droogmakerijen (bijv. de Bethunepolder), open meren (o.a. de Loosdrechtse plassen) en verlandende petgaten met moeras (w.o. Molenpolder)
- het rivierkleigebied in de directe omgeving van de Vecht
Wat in het laagveengebied precies op welke plek aanwezig is, is sterk bepaald door de hoeveelheid veen die afgegraven, dan wel ontwaterd is. Op plekken met oorspronkelijk een dik veenpakket zijn nu de grote plassen zoals de Loosdrechtse te vinden. Deze plassen zijn ontstaan door intensieve afgraving, resulterend in diepe en brede petgaten die vervolgens door erosie in grotere wateroppervlakten zijn getransformeerd. 3) In geval van dunnere veenpakketten en minder intensieve winning, zoals in Molenpolder, zijn de petgaten, de legakkers, de rietkragen en het moeras grotendeels intact gebleven.
Ontginning van de woeste gronden
De streek tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Vecht komt begin achtste eeuw in eigendom van de Utrechtse bisschoppen. Ook het rechterlijk en bestuurlijk gezag komt hun dan toe. Door de bevolkingstoename in de elfde en twaalfde eeuw ontstaat er behoefte aan extra landbouwareaal. Dat is het moment waarop de uitgifte van de ontginnings- en andere rechten aan geestelijke instellingen en leenmannen begint. Hiermee is ook de basis gelegd voor de latere ‘gerechten’.
Zo tussen 1050 en 1125 starten in de Vechtstreek de ontginningen van de woeste gronden. Dat ontginnen gebeurt in noordoostelijke richting vanaf de bestaande wegen langs de Vecht. De ontginningsbasis bestaat daarbij uit een dijk en een ernaast gelegen brede afwateringssloot, de ‘wetering’, die het water afvoert naar de Vecht. Loodrecht vanuit de wetering worden evenwijdig lopende sloten het veen in gegraven tot een achtergrens, gevormd door een ‘achterkade’ of ‘achterdijk’. Die kaden of dijken moeten het water keren dat van de hoger gelegen veengebieden afstroomt. Ook aan de zijden van het ontginningsgebied verrijzen kaden die het water vanuit de aangrenzende ontginningen weren.
In Molenpolder zijn de ontginningen tussen 1400 en 1500 uitgevoerd. Gerekend vanaf de Hoofddijk bij de Vecht is dit het derde ontginningsblok in het gerecht Westbroek . Over het ontstaan van de buurtschap Molenpolder zelf is jammer genoeg weinig of niets bekend. Denkbaar is dat de nederzetting als ontginnersgemeenschap is gestart, waarbij de Oudendijk (de huidige Oudedijk en Westbroekse Binnenweg) de uitvalbasis voor de derde ontginningsronde is geweest.
De ontginning en ontwatering van het veen maakt het land in principe geschikt voor akkerbouw. Ontwatering veroorzaakt echter in de loop van de tijd inklinking en oxidatie van het veen, waardoor het maaiveld lager komt te liggen en ook vochtiger wordt. Er worden dan - meestal vergeefs - pogingen gedaan om met uitdiepen van watergangen en bedijking van de percelen de waterstand te verlagen. Het bouwland wordt echter te drassig en is dan alleen nog bruikbaar voor wei- en hooiland. De akkers worden daarom verlegd naar een hoger gelegen, nog onontgonnen stuk veen, waardoor de afstand tussen de nederzetting en het akkerbouwland toeneemt. Het resultaat is een geleidelijke omschakeling van gemengde boerenbedrijven naar veeteeltbedrijven en verplaatsing van boerderijen, waarbij de noordoostwaartse ontginningsrichting wordt gevolgd.
De later verkavelde stukken veen worden ook weer door een achterkade beschermd. Dit gebeurt echter niet meer over de volle breedte van het te ontginnen gebied en in hetzelfde tempo, maar min of meer per gerecht (dorpsgebied). Het resultaat is dat de nieuwe achterkaden niet meer op elkaar aansluiten en er haakse aansluitingen ontstaan. Ook opvallend op die kaart is de ontginning van Maarsseveen. Deze loopt uit in een punt in tegenstelling tot andere ontginningen. In deze punt bevindt zich nu het Maarsseveense bos(je), een klein stukje onontgonnen moerasgebied.
De ontstane taartpunt valt te verklaren vanuit een conflict tussen Tienhoven en Maarsseveen met als inzet het recht van opstrekking, waarbij Maarsseveen uiteindelijk aan het kortste eind trok. 4) Dat zit zo: Maarsseveen wilde in 1512 als laatste gerecht tot verdeling van het restant van het te ontginnen gebied overgaan. De door te trekken percelen zouden uiteraard smaller moeten worden naarmate de breedte van de ontginning afnam. Over dat principe bestond geen twijfel. Het conflict ontstond doordat Maarsseveen eiste dat ook het veen van Tienhoven tegelijkertijd verdeeld moest worden. De breedte moest dan stap voor stap in dezelfde mate afnemen, alsof Tienhoven en Maarsseveen één geheel tussen Breukeleveen en Westbroek zouden vormen. Na een aantal processen voor verschillende instanties werd Maarsseveen in het ongelijk gesteld. Pas na het definitieve vonnis in 1534 kwam de verdeling in 1537 tot stand.
Turfwinning in de Vechtstreek
Eeuwenlang was gedroogd veen, ofwel turf de belangrijkste brandstof in ons land. De opkomst en groei van steden in de dertiende eeuw was een grote aanjager voor de winning van turf. De turfwinning, ook wel vervening genoemd, werd daardoor een belangrijke bedrijfstak. Veen als grondstof voor de turf lag voor het oprapen, zeker ook in de Vechtstreek, en bleek in het algemeen een zeer profijtelijke business.
Op welke plaatsen in de Vechtstreek het veen werd afgegraven was vooral afhankelijk van twee factoren: de kwaliteit van het veen en de dikte van het veenpakket. Die twee factoren varieerden nogal tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Vecht. Turf die voornamelijk uit veenmos en zegge bestaat en weinig verontreinigingen zoals wortelresten bevat, staat garant voor een goede brandstof. Een dikke veenlaag is vanzelfsprekend ook aantrekkelijker om te winnen dan een dunner veenpakket. Het laatste vraagt naar verhouding meer inspanning en levert ook minder op.
Molenpolder is alleen in het zuidwestelijk deel verveend. De vervening stopt ruimschoots voor de Kerkdijk en ook de Burgemeester Huydecoperweg wordt niet bereikt. Dit valt te verklaren uit het feit dat het veenpakket in dat gedeelte van de polder te dun en/of van mindere kwaliteit is. Ook is het denkbaar dat de ten zuiden van de Kerkdijk gelegen agrarische percelen van meer waarde zijn geweest dan de potentiële opbrengst van het veen.
Een groot voordeel van de turfwinning in de Vechtstreek was, dat men bij het vervoer van de turf naar belangrijke afzetmarkten, zoals Amsterdam en Utrecht, gebruik kon maken van het bestaande stelsel van sloten, weteringen en de Vecht. Het bestaande patroon van verkaveling maakte het bovendien mogelijk om op een systematische manier de vervening grootschalig uit te voeren. Een belangrijk probleem dat zich hier bij de vervening voordeed, was dat men het veen tot op het grondwaterpeil afgroef. De ontgraven percelen land verloren daardoor hun waarde als landbouwgrond. Het betekende ook een aanslag op het landschap. Ondanks verschillende maatregelen van de Staten van Utrecht om het tempo en de diepte van de vervening enigszins af te remmen, sorteerden die in de praktijk weinig effect.
In de zestiende eeuw nam de vraag naar turf opnieuw sterk toe. Dit was het gevolg van de noodzakelijke stadsuitbreidingen, waarbij nieuwe huizen in baksteen werden gebouwd in plaats van in het brandgevaarlijke hout. Voor deze bouw waren uiteraard veel bakstenen en dakpannen nodig die in de Vechtstreek in steen- en panovens met turf als brandstof werden gebakken. Ook zware stadsmuren en bolwerken werden met bakstenen opgetrokken, waardoor de vraag naar turf extra werd vergroot. Tevens deed de groeiende, stedelijke bevolking de vraag naar turf toenemen als brandstof voor de verwarming van huizen.
Droge en natte vervening
Bij turfwinning onderscheidde men droge en natte vervening. Laatstgenoemde methode werd omstreeks 1530 vanuit Engeland in ons land geïntroduceerd. Droge vervening gebeurde door afgraving tot aan de grondwaterspiegel, die eventueel eerst door bemaling werd verlaagd. De veenlaag werd door turfwerkers in groepjes van vier personen ‘gestoken’: één persoon sneed het veen op maat, een tweede persoon stak de blokken veen (‘turven’) los en laadde deze op een kruiwagen. De andere twee personen brachten de turven naar een stuk land (‘zetveld’ of ‘legakker’) waar de turven te drogen werden gelegd.
Bij de natte verveningsmethode werd een ‘baggerbeugel’ als werktuig gebruikt. Dit was een lange stok met aan het einde een schraapplaat en een cirkelvormig schepnet. Hiermee werd het veen van de bovenlaag of uit het water geschraapt (‘getrokken’) en ontstonden lange geulen, de zogenaamde pet- of trekgaten. Het uitgebaggerde veen werd gelijkmatig over een legakker verspreid en aangestampt. Zodra het veen voldoende gedroogd was, kon het in turven worden gestoken. Bij deze natte verveningsmethode volgde men het bestaande verkavelingspatroon en ontstonden de brede, diepe trekgaten en de smalle legakkers.
Veenmannen
Turfwinning was seizoenswerk en gebeurde vrijwel altijd in de maanden maart tot en met juli. Voor maart bestond nog het risico van vorst in de grond, waardoor het turf slechter zou branden. Na juli zou het veen niet voldoende droogtijd kunnen hebben tot het aanbreken van het natte herfstseizoen. De turfwinning werd door veenmannen ofwel verveners gedaan, seizoenarbeiders met een schamel bestaan. Zij waren volledig afhankelijk van de luimen van de grondeigenaar en verrichten hun zware werk voor een karige beloning. Het weekloon werd aan het eind van de werkweek niet zelden opgedronken in het plaatselijke café, uitgebaat door wellicht diezelfde grondeigenaar annex cafébaas.
Onder de verveners was armoe meestal troef. Buiten het turfwinningsseizoen was er weinig te doen. Hooguit nog een beetje tuinbouw voor eigen gebruik of wat binnenvisserij, maar dat was het wel zo’n beetje. In de herfst en winter werd zodoende bij hun baas annex neringdoende op de pof gekocht. Ook hun huisvesting moet buitengewoon schamel zijn geweest. In Tienhoven en Maarsseveen blijken de oude bewoningslinten rond 1832 al dicht bewoond en grenzen ze, soms aan beide zijden, aan uitgeveende plassen. Molenpolder blijft daarop qua bebouwing een flink stuk achter. Uit de kadastrale HISGIS-kaart van 1832 valt met doorklikken per perceel te achterhalen dat heel veel bewoners in dit gebied verveners zijn geweest. 5)
Dezelfde HISGIS-kaart bevat aardige detailinformatie over onder andere de namen van de eigenaren, het bodemgebruik en de waarde van de percelen als belastinggrondslag; in dit geval langs de Westbroekse Binnenweg. Als voorbeeld nemen we hier de eigenaar-bewoner van het perceel Westbroek B88, Jacob van de Vuurst . Hij oefent het beroep van veenman uit en bezit een huis plus erf (rood gekleurd) met een daarachter gelegen stuk veenland (bruin) en water (lichtblauw). Zo zijn er nog een stuk of wat verveners die langs de Westbroekse Binnenweg wonen of daar één of meer percelen bezitten.
Over Jacob van de Vuurst heb ik nog de volgende feitjes kunnen achterhalen: uit een kerkelijk register blijkt dat hij als ‘jongman’ op 9 april 1795 in Westbroek in ondertrouw is gegaan met Aaltje Gijsbertse Wijnen. Hij blijkt geboren en getogen te zijn in Maarsseveen; zij is afkomstig uit Achttienhoven. Hij zal in 1832 dus een man van middelbare leeftijd zijn geweest. 6)
Verveningspatroon
De verveende percelen vertonen een onregelmatig patroon. Weliswaar lopen de petgaten en legakkers evenwijdig aan elkaar, maar de breedte van de petgaten en legakkers loopt sterk uiteen. Op sommige plekken zijn de legakkers erg smal of zelfs helemaal verdwenen. Ondanks voorschriften en verboden van de overheden - denk hierbij aan landverlies en mogelijk overstromingsgevaar - werden de legakkers vaak (illegaal) volledig of grotendeels afgegraven. Als gevolg hiervan zijn in de Vechtstreek de grote waterplassen, zoals de Loosdrechtse plassen, ontstaan.
Bij natte vervening stelden de Utrechtse overheden zoals gezegd diverse eisen. De belangrijkste daarvan zijn:
- Het stellen van maatvoeringseisen met als doel het maken of behouden van een fijn patroon van akkers en watergangen. Een petgat mocht daarbij een maximale breedte van 5 tot 6 meter hebben en een legakker moest een minimale breedte van 3 tot 4 meter hebben.
- Bescherming van legakkers door voorschriften m.b.t. ophogen van en inzaaien of beplanten met riet en elzen.
- Het voorschrift van een ‘voorland’ van minimaal 45 meter. Een voorland is een landstrook grenzend aan kade of dijk met als functie bescherming tegen golfslag.
- Belastingheffing in diverse vormen, als bron van inkomsten en ter ontmoediging van vervening.
Merk op dat de voorlanden in Molenpolder qua diepte sterk van elkaar verschillen. Kennelijk hield niet iedereen zich aan het betreffende voorschrift of trokken wind en water uiteindelijk aan het langste eind. Overigens, ook de tuinbouwbedrijven die aan de zuidwestkant van de Westbroekse Binnenweg gevestigd waren, zijn veel later in de loop van de twintigste eeuw nagenoeg allemaal verdwenen. Voor de tuinbouw kwam een drietal bungalowparken in de plaats.
Conclusie
In de Vechtstreek wordt in de loop van de achttiende en negentiende eeuw de angst voor de gevolgen van de vervening groter en groter. Het mogelijk samenvloeien van de oostelijke Vechtplassen (het Natura 2000-gebied) en de Vecht vormt een schrikbeeld. Ondanks deze zorgen wordt door de bestuurders keer op keer dispensatie op de voorschriften en regels met betrekking tot vervening verleend. De turfwinning is dan, samen met de steen- en pannenbakkerijen en de landbouw, de enige echt florerende bedrijfstak in de Vechtstreek. Men blijft vooralsnog zitten met een groot wateroppervlak waarvoor drooglegging de enige optie lijkt te zijn (zie de Bethunepolder in de negentiende eeuw). Het gebied is dan nog ver weg van de corrigerende herinrichting en natuurontwikkeling die aan het eind van de twintigste eeuw is ingezet. Voor natuur en landschap vormt de rivierkreeft dan nog geen probleem…
Noten
1. Een exoot is een plant, dier of ander organisme dat van nature niet in Nederland voorkomt. Als een soort schadelijk is voor de natuur heten ze invasieve exoten. Vanaf 2016 is er een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van schadelijke exotische planten en dieren.
2. Nederland kent ruim 160 Natura 2000-gebieden, die zijn aangewezen onder de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Beide richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de biodiversiteit in Europa te beschermen en waarborgen.
3. Erosie betekent in dit verband het afkalven van de oevers onder invloed van wind en water.
4. Opstrek of opstrekking houdt in dat loodrecht naar achteren, tot aan de achtergrens, nieuwe stukken veen ontgonnen worden. Hierdoor ontstaat een patroon van evenwijdig lopende kavels. De achtergrens wordt gevormd door de Hollandse Rading, de lange tijd omstreden grens van het gewest Utrecht met Holland.
5. HISGIS (Historisch Geografisch Informatie Systeem) bestaat uit gedigitaliseerde kaarten van het oudste kadaster uit 1832, gecombineerd met andere (thematische) kaartlagen. Door op een perceel te klikken, verschijnen de bijbehorende gegevens over eigenaren, bodemgebruik en de waarde anno 1832.
6. Bron: fmavanschaik.nl Huwelijken te Westbroek 1762-1813 Trouwen Westbroek NH 1796 blad 160
Bronnen
RTV Utrecht, 21 juli 2021.
Wikipedia.nl.
Topotijdreis.nl.
Tijdschrift De levende Natuur, jaargang 122, nummer 4, juli 2021.
Provincie Utrecht, Natuurbeheerplan 2022, 9 maart 2021.
Ministerie van LNV, Landinrichtingsdienst, Herinrichting Noorderpark – Voorontwerp-plan, 1993.
Wim Weijs, Natuur & landschap van de Vechtstreek, Uitgeverij KNNV, 2011.
Hans Buiter en Hans Renes, Noorderpark – Herinrichting van het landschap tussen Utrecht en het Gooi, Uitgeverij Matrijs, 2013.
Sint Maerten, Tijdschrift van de historische vereniging Maartensdijk, STMA_1992-09.
Roland Blijdenstijn, Tastbare tijd – Cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht, PlanPlan uitgeverij, 2005.
Veel dank is verschuldigd aan Co Grootendorst en Bert van der Tol (Museum Vredegoed) voor hun inhoudelijke inbreng, het beschikbaar stellen van bronnenmateriaal en hun kritische lezersblik op het manuscript.